De wraak van Montpellier - Maurice Epskamp

“Hij was mijn vijand. Dat had genoeg moeten zijn.”
Elise mompelde de woorden terwijl ze een stuk stof van haar jurk scheurde. Ze maakte een
geïmproviseerd verband en knielde naast een kreunende jongen neer.
“Het had genoeg moeten zijn,” siste Elise tussen geklemde kaken door.
Ze wikkelde de stof om de linkerarm van de jongen, die overeind kwam zitten. Hij wreef over zijn
slaap, waar een grote bult was ontstaan.
“Wat zei je, Elise?”
“Blijf stil zitten, Saran. Je hebt ons goed verdedigd maar ze waren met te veel,” zei Elise bitter.
Ze keek naar haar jonge vriend, niet ouder dan zestien. Vorig jaar had ze hem nog van de galg gered
omdat hij gestolen had van haar familie. Stelen van haar vader Raynaud stond vaak gelijk aan de
doodstraf. Temeer ook omdat haar vader sinds een aantal jaar verheven was tot adel.
Elise keek naar Saran, die langzaam opstond en om zich heen keek. Sinds zijn redding was hij, op zijn
training als bodyguard na, niet van haar zijde geweken. Dat was ook de reden dat hij samen met haar
was aangevallen en nu in een stoffige, oude kamer wakker werd.
“Waar zijn we,” vroeg Saran, die moeite leek te hebben met zichzelf te oriënteren.
“Ik heb geen idee. Ik werd wakker in deze kamer en vond een brief bij de lamp op die tafel.”
Saran nam de brief aan en las hem vluchtig door. Naarmate hij verder las werden zijn ogen groter. In
de brief stond te reden waarom hij en Elise waren aangevallen door de handlangers van een man
genaamd Jacques Montpellier.


…dit is de laatste maal dat jij me dwarszit, mevrouw Fontaneau. Er is geen ontsnappen meer aan.
Vannacht neem ik wraak voor alle stukgelopen investeringen. Je was een waardige tegenstander,
maar na vannacht beheers ik de boekenmarkt..


“Wie is Montpellier? Waarom wil hij ons dood hebben? Wat is dit voor huis?”
Elise keek verbitterd naar de brief.
“Je weet dat ik de hoofdbibliothecaresse ben van de familiebibliotheek. Naast het onderhouden van
de inventaris ben ik ook verantwoordelijk voor de inkoop van nieuwe boeken. Daar zitten ook
grimoires bij.”
Saran knikte. Hij was vaak met haar in de bibliotheek geweest en kwam soms in het afgesloten
gedeelte van het gebouw waar speciale boeken werden bewaard. Boeken die een select gezelschap
alleen op aanvraag mochten bekijken. En ondanks haar leeftijd van zesentwintig jaar, kwam niemand
in dat gedeelte tenzij Elise daar goedkeuring voor gaf.
“Montpellier is altijd een waardige vijand geweest als het op het kopen van boeken aan komt. Soms
wint hij, maar meestal win ik. De laatste tijd werd hij bozer en bozer. Ik had al even niets van hem
gehoord. Deze actie is beneden zijn stand. Blijkbaar is hij klaar met onze vijandige competitie.”
“Waar zijn we nu?”
“Geen idee,” zei Elise zacht. “Maar het bevalt me niets.”
Het huis leek oud. De meubels waren stoffig, sommige bedekt met lakens. De verf bladderde van het
plafond en bij het licht van de kaars zagen ze grote plekken met schimmel op de muren. De houten
panelen die ooit de muren hadden versierd, waren rot en zaten vol met donkere, vochtige plekken.
Het tapijt, ooit dik en zacht, was nu een plat, grijs vod wat in de hoeken opkrulde.


Terwijl Saran de deur probeerde, die met een kreunend geluid openging, controleerde Elise de
ramen.
“Alle ramen zijn op slot en de luiken zijn vastgezet.”
“In ieder geval is de deur wel open. Ik zie een verlaten gang met een deur op het einde.”
Elise greep de kaars van de tafel en liep samen met Saran de gang in. De vloer kraakte onder hun
voeten. De lange schaduwen leken om hen heen te dansen en Elise kon een rilling niet onderdrukken.
Ook Saran liep gespannen door de gang. Hij keek om zich heen, naar de schilderijen die verwaarloosd
aan de muur hingen. De kleine kroonluchter die vol met spinrag boven hun hoofd hing. Buiten
hoorden ze de wind waaien en tegen de luiken slaan. Hij wees naar een van de schilderijen die scheef
aan de muur hing.
“Wie is dat? Hij komt me bekend voor.”
“Dat is de grootvader van Jacques, de hertog Lucien Montpellier. Hij was een van de stadhouders van
Mercuraly, maar tijdens de grote oorlog heeft hij zijn taken verwaarloosd en is gevlucht. Na de oorlog
werden zijn titel en drie kwart van zijn bezittingen afgenomen. Hij is in armoede gestorven in een
buitenhuis vlak bij-”
Elise stopte abrupt. Ze keek verschrikt om zich heen.
“Oh nee. Oh nee oh nee oh nee!”
Ze liep naar de volgende deur en rukte die in wanhoop open. Voor haar lag een kleine kamer, tot de
nok toe vol met opgestapelde spullen en meubels.
“Wat is er? Waar zijn we,” vroeg Saran met lichte paniek in zijn stem.
“Die rat heeft ons opgesloten in het huis van zijn opa. Dit huis is vervloekt!”
“Wat? Wat bedoel je? Zitten hier spoken? Geesten?”
“Dat weet niemand. Maar het schijnt dat hier in de nacht een wezen rondwaart wat kreunt en gilt.
Er komt geen licht door de luiken dus ik ben bang dat het al lang na zonsondergang is. We moeten
hier zo snel mogelijk weg zijn,” zei Elise met een hoge stem.
Saran doorkruiste de kamer waar Elise handenwringend in stond en trok aan de volgende deur. Dit
was de entreehal. Hij rende naar de voordeur en probeerde deze te openen, maar deze zat op slot.
Saran vloekte en schopte tegen de deur, die niet meegaf. Elise volgde hem de entreehal in. Ook hier
stond het vol met achtergelaten spullen. Ze keek naar de deur en wees op een stuk perkament wat
daar met een spijker was vastgemaakt. Terwijl Elise het stuk perkament van de deur trok, begon
Saran in de spullen te rommelen. Elise las de brief hardop met trillende stem voor.

“Zoals jullie misschien al hebben ontdekt is dit het huis van mijn opa. Hier heeft hij tot zijn dood
geprobeerd om op iedere manier wraak te nemen op het onrecht wat hem na de oorlog is
aangedaan. Er zijn maar een paar personen die weten hoe het werkelijk is afgelopen met mijn opa.
Jullie zullen, vlak voor jullie dood, ook weten wat de doodsoorzaak is geweest. Ik ben geen harteloze
man, dus ik heb de sleutel in een van de boeken in dit huis verstopt zodat jullie een kans hebben om te
ontsnappen.”

Elise keek op naar Saran, die net een biljartkeu in tweeën spleet. Hij controleerde de scherpe punt die
was ontstaan en knikte instemmend.
“Dus we moeten een boek vinden met een sleutel erin. Voor er iets ergs gebeurt.”
Hij keek om zich heen en gaf een kreet van verassing, die Elise op deed springen van angst.
Hij rende naar een boekenstandaard met daarop een groot boek. Het stond in de hoek van de kamer,
los van alle andere spullen. Bij het licht van de kaars zagen Saran en Elise een grote, doffe sleutel uit
het boek steken.
“Nee Saran, niet doen!”
Elise probeerde Saran nog te onderscheppen, maar Saran had de sleutel al te pakken en trok deze uit
het boek. Even leek er niets te gebeuren, maar toen klapte het boek open. Een zachte stem leek door
de kamer te zweven. Saran keek met grote, verontschuldigende ogen naar Elise, die achteruit van de
deur weg begon te lopen. Schaduwen werden langer. Het huis leek te kreunen onder de magische
druk die er bij de voordeur ontstond. Om hen heen begonnen schilderijen van de muren te vallen,
spullen die stonden opgestapeld begonnen te schuiven en vielen op de grond. Een onnatuurlijke,
koude wind waaide door de kamer. De vlam van de kaars flakkerde en sputterde, maar bleef aan.
Toen gaf Saran een hese kreet, alsof de adem in zijn keel bleef steken.
“Wat is dat,” hijgde hij angstig. 
Elise kon van angst niets zeggen. Een spookachtige vrouw begon zichzelf te vormen in de schaduwen.
Ze was gekleed in grijs-gelige lompen en haar witte haar wapperde in een niet voelbare wind. Haar
ogen, zo zwart als de nacht, keken dwars door de twee van angst verlamde vrienden heen. Haar
gezicht zat vol met vreemde littekens en scheuren, alsof het ooit meerdere malen uit elkaar was
gehaald en weer in elkaar is gezet.
“Wat is het, Elise?”
“Ik denk dat het een grimoire entiteit is,” fluisterde Elise met een droge stem. “Geen snelle
bewegingen maken.”
“We moeten hier weg,” jammerde Saran zachtjes. “We moeten hier weg.”
Elise keek vluchtig om zich heen. De voordeur was geen optie. Het wezen stond roerloos naar hen te
kijken, afwachtend op het juiste moment. Haar klauwen waren zwart en leken te druipen, alsof ze nat
waren. De trap was de enige optie. Ze tikte Saran aan met haar arm en gebaarde naar de trap.
Langzaam begonnen ze te schuifelen. Langs de muur. Langs het boek. Het wezen hield het hoofd
schuin, alsof het probeerde in te schatten wat ze van plan waren. Saran greep de geïmproviseerde
staak wat steviger vast en alsof het een startschot was reageerde het wezen hierop. Het gaf een
ijselijke kreet die door merg en been ging. Haar gezicht ontvouwde zich voor hun ogen en een
gapende muil, zo groot als de helft van haar gezicht, opende zich. De kaken klapten open zoals een
boek. Rijen met vlijmscherpe, naaldachtige tanden reflecteerden het licht van de kaars en ze roken de
geur van verrotting.
“Rennen, nu!”
Elise duwde Saran naar voren en begon te rennen. Ze greep in haar vlucht het boek mee. Het wezen
sprong naar voren en probeerde de weg naar de trap te blokkeren, maar Saran stak instinctief naar
voren en drukte de afgebroken keu door haar borstkas. Hij keek niet eens of de aanval gelukt was,
maar vloog met drie treden tegelijk de trap op, gevolgd door Elise, die met het boek de kaars
probeerde te beschermen. Eenmaal boven, ramde Saran de eerste deur die hij zag open en trok Elise
naar binnen. Een grote slaapkamer werd zichtbaar in het flakkerende licht van de kaars. Om de hoek
hoorden ze het wezen de trap op stormen, schreeuwend en krijsend.
Saran gooide de deur dicht en zette een stoel tegen de klink aan, vlak op het moment dat het wezen
tegen de deur sloeg. Tien enorme nagels sloegen door het hout en bleven vastzitten.
“Hier komt ze niet doorheen,” zei Saran, maar geloofde zijn eigen woorden niet. De nagels begonnen
te krommen en groeien. Hout versplinterde als luciferstokjes om de klauwen van het wezen heen.
Elise en Saran trokken zich terug tegen het bed aan, beiden zoekend naar een oplossing.
“Elise, jij bent de slimste van ons twee. Dit is het moment om een oplossing te bedenken.”
Maar het was te laat. Een moment later brak het wezen door de deur en stond in de kamer, klaar om
ze te bespringen. Elise sloot haar ogen en wachtte op het onfortuinlijke moment, maar het kwam
niet. Een zachte gloed kwam onder het tapijt vandaan. Het wezen keek met grote ogen naar het licht
en begon in het donkere gedeelte van de kamer te ijsberen, zoekend naar een manier om dichterbij
te komen. Elise trok het tapijt weg en ontdekte een runencirkel.
“Een cirkel van bescherming,” zei Elise dankbaar. “We zijn voorlopig veilig.”
Saran was niet overtuigd. Hij trok het tapijt verder weg en keek of het effect had op het wezen, terwijl
Elise het boek opende en begon te bladeren.
“Is dat wel verstandig? Ik heb liever niet dat je iets fout doet en nog meer van dat soort dingen
oproept.”
“Nee, ik lees alleen maar. Ik denk dat ik weet wat dit is. Het is inderdaad een grimoire entiteit. Het is
een wraakwezen, genaamd L’Écarquillée. Het betekent de ‘wijd opengesperde’. Zij kunnen alleen ’s
nachts bestaan en blijven aan het voorwerp gebonden tot hun taak, die door de persoon die hen
heeft opgeroepen gegeven is, volbracht is.”
Elise keek het wezen aan en stak haar hand uit.
“Wat is jouw opdracht?”
“Montpellierrrr,” siste het wezen met haat in haar stem.
Elise zweeg en keek bedachtzaam.
“Wat is er? Ik ken die blik,” zei Saran twijfelend.
“Lucien heeft toen de verkeerde opdracht gegeven,” zei Elise met een blik van realisatie. “Zij zoekt
naar de bloedlijn van Montpellier. En zoals ik zei, Jacques en ik waren vijanden, maar dat was voor
hem niet genoeg. Als hij het op deze manier wil, kan hij het ook zo krijgen. We moeten wachten tot
de ochtend, maar hier zijn we veilig.”


“De ronden zijn gedaan, heer Montpellier. Alles is afgesloten en rustig.”
“Mooi.”
Jacques Montpellier had zijn nachtkleding aangedaan en controleerde de beddenpan onder zijn bed.
Terwijl hij de dekens terugsloeg, stond zijn bediende trouw te wachten tot hij weg mocht.
“Heb je al iets gehoord van het huis van mijn grootvader?”
“Het lijkt dat uw plan gewerkt heeft. Afgelopen nacht waren er schreeuwen en geluiden te horen in
het huis. Het was rond twee uur ’s nachts weer stil.”
“Mooi, mooi. En mijn waarnemers hebben het huis met rust gelaten?”
“Jazeker heer. Mevrouw Fontaneau en de jonge knaap zijn niet uit het huis gekomen,” antwoorde de
bediende met een kleine glimlach. “Per uw opdracht worden er nog een nacht gewacht. Als er
vannacht geen geschreeuw is, gaan ze morgen kijken wat er van mevrouw Fontaneau over is.”
“Als er al iets van haar over is,” grinnikte Montpellier terwijl hij in zijn bed kroop. Hij trok de dekens
over zich heen en blies de kaars uit.
“Hou me maar op de hoogte als je vannacht iets hoort. Je kunt gaan.”
De bediende knikte en sloot de deur, terwijl Montpellier zijn ogen sloot. Hij kon niet wachten tot hij
het goede nieuws zou krijgen. Twee vliegen in een klap. Zijn aartsrivaal dood, alle boeken voor hem
én een van de stadhouders een enorme klap uitgedeeld. Precies zoals zijn opa het had gewild.
Een zacht geluid deed hem omdraaien in bed. In de duisternis van de kamer leek het alsof zijn gordijn
bewoog. Hij ging overeind zitten en grabbelde naar zijn lucifers om zijn kaars aan te steken. Een harde
plof bij de deur deed hem schrikken en hij liet zijn lucifer vallen. Vloekend greep hij een nieuwe en
stak deze aan. Terwijl Montpellier de kaars aandeed, zag hij een schim door de kamer sluipen, naar
het raam. De kaars ging aan en verlichtte het gezicht van een jonge knul. De knul die hij twee dagen
eerder op had gesloten in het huis van zijn grootvader.
De jongen klom zo snel als een kat uit het raam en sloot het. Een touw liep van het raam naar een
voorwerp dat bij de deur op de grond lag. Terwijl Montpellier met grote ogen naar het boek keek,
werd het van buitenaf met het touw opengetrokken. De plotselinge wind blies de kaars uit.
Uit de schaduwen van zijn kamer hoorde Montpellier met afgrijzen een raspende stem komen.
“Mont…..Montpellierrrrr….”

Terug naar blog

Reactie plaatsen