Tussen Wraak en Profetie - Nyra Vale
Tussen wraak en profetie
“Hij was mijn vijand. Dat had genoeg moeten zijn!” Ik kijk boos naar de fee die tegenover me
staat. De fee haalt alleen haar schouders op. “Ik begrijp dat je hier niet op zit te wachten,
Avelin Kest” zei ze. “Ik kan er alleen niets aan veranderen. Hij is dit jaar ook éénentwintig
geworden en net zo verplicht om hier te zijn als jij.” Ik kijk in de richting van de jongen in het
zwart. En dat allemaal voor onze profetie-vertelling. De fee kijkt me nog een keer aan. “Zou
je nu door willen lopen Avelin? Je houdt de rij nogal op. Jullie zitten nu eenmaal in dezelfde
groep. Moeder Hyacint heeft dit bepaald.” Ik zucht nog een keer diep, pak mijn perkamentrol
op en loop naar de andere kant van de grote hal. Geen denken aan dat ik bij hem ga staan.
Kael Varyn was niet per se echt mijn vijand. Al waren onze families elkaar niet bepaald
gunstig gezind. Al ruim vijftig jaar lang heerste er spanning tussen hen. Iets met een
wraakactie. Dat was het verhaal dat mijn ouders hadden verteld. Niemand wist wat er precies
gebeurd was. Ik weet alleen dat ik al vanaf dat ik heel jong was had moeten beloven uit de
buurt van de familie Varyn te blijven. Kael kijkt net zo nors in mijn richting, en ik voel dat hij
er net zo weinig zin in heeft als ik. Dat maakt het ergens bijna geruststellend.
Ik ben geen mensenmens. Ik ben het liefst alleen, ergens in de tuin met een boek, en nu sta ik
hier in deze grote hal tussen allemaal mensen van mijn leeftijd. Ik vind dit ongemakkelijk,
alsof de muren langzaam dichterbij komen. Ik wil naar buiten. Het is halverwege de periode
van de zon, en dat betekent dat alles in bloei staat. Bloesems, de bomen en bloemen. Vlinders die met elkaar dansend door de lucht bewegen en bijen die zorgen voor een zacht gezoem. Ik kan er nooit genoeg van krijgen. In het jaar dat je éénentwintig wordt, moet iedereen naar het klooster van Moeder Hyacint. De profetie-vertellingen worden dan gedaan: een blik in je toekomst, iets waar je je op kunt voorbereiden… of juist tegen kunt verzetten. Moeder Hyacint is een fee van meer dan driehonderd jaar oud en degene met het hoogste aanzien in dit hele proces. Zij is de enige die de profetieën deelt met de éénentwintig jarigen. En je ziet haar en haar feeën alleen tijdens deze dag. 24 Uur zitten we vast in dit klooster. Ik tik nerveus met mijn perkamentrol tegen de muur. Ik zie Kael naar me kijken. Waarom staat hij niet bij de anderen? Hij lijkt zeker genoeg van zichzelf. Ik bedoel, als je je helemaal in het zwart durft te kleden, ben je vast niet bang om op te vallen. Ik bijt op mijn lip en veer op wanneer ik een prachtige fee in zachtgroen aan zie komen lopen. Wauw. Ze lijkt wel licht te geven. Een zachte groene gloed volgt haar alsof die aan haar vastzit. Moeder Hyacint schraapt haar keel en meteen wordt het stil in de hal. Ik denk dat er ongeveer vijfendertig personen zijn. En dan tel ik de feeën niet mee. “Welkom allemaal,” zegt ze, haar stem rustig maar overal tegelijk aanwezig. “Bij de 279ste profetievertelling.” Iedereen blijft stil. “Jullie hebben inmiddels jullie schema’s gekregen. Om jullie perkament zit een gekleurd lint. Alle kleuren staan voor de groepen waarin jullie worden verdeeld.” Ik kijk naar mijn perkamentrol en frummel met het lichtgroene lint tussen mijn vingers. “Jullie worden nu naar jullie verblijven gebracht, waar jullie je even kunnen opfrissen. We gaan verder wanneer de bel klinkt. Dan volg je de informatie op je perkament.” Ze kijkt even langzaam over de groep heen. “Graag wil ik jullie nu vragen om je te verzamelen bij de kleur van je groep.” Met een knip in haar vingers verschijnen er door de hele hal palen met gekleurde linten. Ik zie dat groen dichtbij staat en loop er meteen heen. Kael volgt al snel en kijkt dan om zich heen. Iedereen haast zich naar zijn kleur, alleen niemand beweegt richting groen. Wanneer de groepen langzaam de hal uit lopen, komt Moeder Hyacint naar ons toe. “Ah, mijn groene groep,” zegt ze glimlachend. Ik kijk haar verbaasd aan. “Dit is alles?” Ze knikt. “Volg mij alsjeblieft,” zegt ze met een zangerige stem. Kael en ik volgen haar naar een ruimte vlakbij. Een massief houten deur zwaait soepel open en onthult een grote kamer met aan beide kanten een prachtig hemelbed, met gordijnen die zacht naar beneden vallen. Moeder Hyacint knikt nog een keer naar ons en oopt dan de ruimte uit. Kael kijkt me aan en mompelt iets wat klinkt als: “Jij mag kiezen.” Ik loop naar het bed dat het verst weg staat en leg mijn spullen op het nachtkastje ernaast. Ik zie dat Kael hetzelfde doet bij het bed aan de andere kant. Ik ga zitten en haal voorzichtig het lint van de rol. Ik lees dat wij als eersten aan de beurt zijn en dat we na de bel meteen naar de tuin moeten komen voor de profetie. Wanneer ik achterover ga liggen moet ik even weggedoezeld zijn. Ik schrik op wanneer de bel klinkt. Kael staat ook op van zijn bed en houd beleeft de deur voor me open. Ik glimlach naar hem en hij lacht even terug. Ik voel een kriebel in mijn buik, en dat brengt me in de war.
De tuin is magisch mooi. Overal staan bloemen en bloeiende bomen en gras dat zo zacht lijkt
bijna een kleed is. Het nodigt uit om erop te gaan liggen, en ik besluit meteen dat ik dat later
zeker wil doen. Vlinders dansen om ons heen. Wanneer ik opzij kijk, zie ik dat er een
prachtige roze vlinder in Kael zijn haar is geland. “Avelin,” bromt hij. “Wat zit er op mijn hoofd?” Ik grinnik. Met een kleine knipoog stap ik dichterbij. “Het is maar een bloesemvlinder.” Ik pak hem voorzichtig uit zijn haar. De vleugels trillen zacht in mijn
handpalm. “Ze zijn altijd samen, wist je dat?” zeg ik. Wanneer ik mijn hand open, vliegt de
vlinder weg. “Kijk daar,” zeg ik, terwijl ik wijs. Er komt een tweede bloesemvlinder aan, en
samen dansen ze door de lucht, cirkelend om elkaar heen alsof ze elkaar nooit kwijt willen
raken. Een kuchje haalt me uit mijn vlinderdroom. Moeder Hyacint staat tegenover ons, haar
handen licht geheven. “Kom,” zegt ze. Ik leg mijn hand in de hare en zie dat Kael hetzelfde
doet. “Ja,” zegt Moeder Hyacint rustig. “Ik wil dat jullie ook elkaars hand vasthouden.”
Wanneer Kael zijn hand uitsteekt, zie ik iets veranderen in zijn ogen. Ze kijken niet meer zo
nors als een uur geleden. Moeder Hyacint humt iets onverstaanbaars en ik voel een windvlaag tussen ons door gaan, alsof de lucht zelf even verschuift. Was dit toeval? Wanneer ik naar Kael kijk, zie ik dat hij mij ook aanstaart. Zijn intense blik is zachter nu, maar nog steeds scherp genoeg om me uit balans te brengen. Hij kijkt niet weg. En ik besluit hetzelfde te doen. Moeder Hyacint blijft zacht mompelen, alsof ze iets weeft dat ik niet kan zien, en laat ons dan abrupt los. Ze zucht en kijkt ons om de beurt aan. Kael houdt mijn hand nog steeds vast. “Zoals ik al dacht,” zegt ze dan. “Jullie profetie-vertellingen zijn aan elkaar gekoppeld.” Oké, denk ik. Wat betekent dat dan? Aan elkaar? Moeder Hyacint sluit haar ogen en brengt haar handen naar de lucht. Er verschijnt een lichtgroene gloed uit haar handen terwijl ze de profetie uitspreekt.
“Uit vijandigheid wordt keuze geboren.
Wie wraak kiest, verliest de toekomst.
Wie elkaar kiest, betaalt de prijs.”
Moeder Hyacint laat haar handen zakken. De gloed dooft langzaam weg. “Jullie hebben
minder dan vierentwintig uur,” zegt ze rustig. En dan is ze ineens weg. Kael laat mijn hand los
en brengt die naar de achterkant van zijn hoofd. “En nu?” vraagt hij. “Ik weet het niet,” zeg
ik. “Misschien moeten we hem ontleden… de profetie?” Hij knikt meteen. “Dat dacht ik ook.”
Even blijft het stil tussen ons in. “Ik denk dat de vijandigheid slaat op onze grootouders,” zegt
hij dan. Ik knik. “Dat denk ik ook.” “Ik denk dat we een keuze moeten maken,” zeg ik. Hij
fronst zijn donkere wenkbrauwen. “Ja, maar bedoelt de profetie dan dat we elkaar kiezen…
als in echt samen?” Ik haal mijn schouders op. “En wat is dan de prijs?” Kael schudt zijn
hoofd langzaam. “Dit is niet hoe ik had gedacht dat dit zou lopen.” Ik kijk hem even aan
terwijl ik met mijn handen door de bloemen strijk. Zijn norse houding is bijna verdwenen.
“Haat je me?” vraag ik. Kael kijkt op. “Dat zou wel moeten,” zegt hij. “Maar ik weet niet eens
waarom.” Ik knik. “Bij mij net zo. Al was ik wel boos toen ik je zag in de hal.” Hij grinnikt
zacht. “Dat zag ik. En daar werd ik behoorlijk chagrijnig van.” Ik begin te blozen bij zijn
woorden. Ik ga in het gras liggen en kijk naar hem. “Dus we haten elkaar niet?” vraag ik, voor
de verduidelijking. Zijn mondhoeken trekken iets omhoog. “Ik kan je niet haten, Avelin. Ik
heb het geprobeerd.” Even blijft het stil. “Wanneer ik je zag lopen in het dorp. Of bij de rivier.
Ik wist dat jij het was, zonder je ooit echt ontmoet te hebben. Je zachtroze haar valt nogal op.” Nu is het mijn beurt om te grinniken. “Bij jou net zo. Ik heb nog nooit iemand anders gezien die zich zo in het zwart hult.” Hij grijnst en gaat naast me zitten. Onze handen raken elkaar even aan en een lichtgroene gloed volgt. “Zag je dat?” roep ik verbaasd. Hij knikt en pakt mijn hand, maar er gebeurt niets. Ik laat een zucht ontsnappen. De spanning is goed voelbaar en ik weet me er geen raad mee. Kael houd nog steeds mijn hand vast en wrijft met zijn duim over de rug van mijn hand. Ik merk dat ik begin weg te doezelen. Vaag voel ik dat Kael naast me komt liggen. Nog steeds mijn hand vasthoudend.
Wanneer ik later wakker word door een licht gekriebel, zie ik overal bloesemvlinders op me
zitten. En ook op Kael, die nog slaapt. De zon staat hoog en verwarmt mijn huid. Ik maak
voorzichtig mijn hand los uit de zijne en ga rechtop zitten. De vlinders dansen meteen weg.
Flarden van een droom komen terug. Ik zag mijn opa. Althans… ik denk dat hij het was. We
maakten ruzie, maar ik was niet mezelf. Hij schreeuwde dat onze kleinkinderen nooit
verbonden zouden raken. Ik schreeuwde dat dat niet aan ons was. Het voelde… echt. Te echt.
Ik heb even afstand nodig. Ik moet alles op een rij zetten. Wanneer ik wil opstaan, voel ik
ineens een arm om mijn middel. “Waar ga je heen?” mompelt Kael. “Ik—” stamel ik. Hij
opent zijn donkere ogen en kijkt me aan. “Jij hebt ook gedroomd?” mompelt hij. Ik knik. Kael
kijkt even voor zich uit voordat hij spreekt, alsof hij de woorden zorgvuldig afweegt. “Mijn
grootvader vertelde me ooit iets,” zegt hij dan zacht. “Over zijn profetie. Dat onze families
ooit zouden samenkomen. Dat hun kleinkinderen de kloof zouden dichten.” Ik frons. “Dat
klinkt niet als iets waar zoveel haat uit kan ontstaan.” Hij schudt langzaam zijn hoofd. “Dat is
niet het hele verhaal.” Even is het stil tussen ons in. “Jouw grootvader,” zegt hij, “en de mijne
waren ooit geen vijanden. Ze waren zelfs vrienden.” Hij ademt even in. “Er was een meisje.
Ze woonde in het dorp tussen onze families in.” Ik slik. “Jouw opa was verliefd op haar,” gaat
Kael verder. “Maar zij koos niet voor hem.” Zijn blik blijft even hangen in de verte. “Ze koos
voor mijn grootvader.” Ik voel hoe de lucht tussen ons zwaarder wordt. “En daarna is alles
veranderd,” fluister ik. Hij knikt langzaam. “Zijn profetie zei dat onze families ooit verbonden
zouden worden,” zegt hij. “Maar wat bedoeld was als iets dat ons samenbracht… is iets
geworden wat we elkaar nooit hebben vergeven.” “Alsof ze wraak op elkaar wilden nemen,”
gaat hij verder. “Hebben ze er alles aan gedaan om onze families te scheiden.” Ik begin te
rillen. De zon verdwijnt langzaam achter de tuin en er waait een koele bries door de tuin. Kael
trekt zijn jasje uit en legt het over mijn schouders. “Dank je wel,” fluister ik. Hij knikt alleen.
“Oké,” zeg ik dan zacht. “Dan hebben we nu een deel van de profetie ontrafeld?” Hij knikt
weer. “Ja.” “Zullen we naar de hal gaan? Ik krijg nu wel echt honger.”
Wanneer we even later de hal in lopen, zie ik Moeder Hyacint in een hoek staan. Ze kijkt ons
aan terwijl we samen naar binnen lopen en glimlacht. “Ik wist wel dat jullie profetie sterk
was,” zegt ze met een knipoog, voordat ze oplost in het niets. Ik kijk even verbaast en
glimlach dan naar Kael. Hij glimlacht terug, breder dit keer. We vullen een bord met brood,
kaas en fruit en gaan in een van de nissen van het klooster zitten. “Maar wat zou die prijs
zijn?” vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. Dan zie ik iets glinsteren in zijn ogen. “Wacht
even,” zegt hij plots. Hij springt op. Ik frons en ga net opstaan als hij terug komt rennen. Hij
haalt een dun gouden kettinkje uit zijn zak. Daaraan hangt een klein roze pareltje. “Deze heb
ik van mijn oma gekregen,” zegt hij. “Hij zat in een leren buideltje en ik mocht hem alleen
openen als ik echt iets nodig had.” Ik kijk hem aan. “Hoe komt ze daar aan?” Kael haalt zijn
schouders op. “Mijn opa zocht naar parels. Hij heeft me ooit verteld dat hij een keer een roze
parel had gevonden, maar dat die verloren is gegaan.” Vertel ik hem “Hij noemde me altijd
zijn roze parel. Vanwege mijn haar.” Kael komt dichterbij en strijkt met zijn duim langs mijn
kaak. “Ik denk dat dit de prijs is,” zegt hij zacht. “Dat wat ooit verloren is gegaan…
teruggegeven moet worden. Ik denk dat jouw opa deze aan mijn oma heeft gegeven. Al die
jaren geleden. En dat het nu aan ons is om het weer samen te brengen.” Hij reikt achter me en maakt de sluiting vast. Een tinteling trekt door me heen wanneer zijn vingers mijn huid raken. Wanneer ik hem aankijk, kijkt hij al naar mij. Ik zet een kleine stap naar voren. Hij aarzelt niet. Zijn lippen vinden de mijne en hij kust me alsof ik iets ben wat hij nooit meer wil
verliezen. Ik zoen hem terug. Alles voelt anders. Alsof alles wat ooit tussen onze families
heeft gestaan, geen betekenis meer heeft. En wij de vlinders zijn uit de tuin, die elkaar
eindelijk gevonden hebben.